Het Woord
In de vloedgolf van woorden
hoop je toch op een woord
dat niet wegebt.
die ons verdoven
hoop je toch op een toon
die niet wegsterft.
In de massa van mensen
die ons omringen
hoop je toch op een mens
die niet verdwijnt.
Er moeten toch woorden zijn
die iets zeggen.
Er moeten toch klanken zijn
die waarheid blijven.
Er moet toch een mens zijn
die is wat hij zeg
40 dagen tijd 2003: 19 maart 2003
Lieve
mensen;
De schriftlezing begint met de woorden “Toen sprak God al de
woorden die hier volgen:Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis”. Inderdaad God heeft zijn
volk weggeleid, bevrijd vind ik trouwens een woord dat beter past.
Maar God geleid eerst zijn volk, Hij doet dit in
éénvoudige tekenen, die makkelijk
zichtbaar zijn, en dus niet moeilijk te volgen zijn. Overdag gaat
God het volk voor in een wolk, en s’nachts
in een vuurzuil. Duidelijker kan het niet, maar God wil meer zijn
als een geleider waar je blind achter aan loopt, achteraan loopt
zonder zelf bij na te denken.
God wil veel meer een bevrijder zijn, dan een geleider. En in al
Zijn grootheid bedenkt God 10 leefregels, geen wetten, maar regels,
richtingaanwijzers die net zo makkelijk
zijn te volgen als die wolk en vuurkolom. Deze 10 woorden, deze 10
richtingwijzers,daar is niets op aan te
merken, er is geen speld tussen te krijgen. Ze zijn zo geniaal dat
een mens ze nooit heeft kennen bedenken. Wij mensen hadden bij het
opstellen van die regels veel meer toegevoegd, uitsluitingen
bepaalt en uitzonderingen opgeschreven. De woorden, als, maar en
misschien zouden we veel meer gebruikt hebben. Neem nu b.v. het
gebod, u zult niet stelen, wij met zijn allen hadden daar veel meer
achter bedacht. Zoals, u zult niet stelen, maar als het al van jou
gestolen is mag je het terug stelen. U zult niet stelen, maar als
je geen inkomsten hebt mag je wel een brood stelen. U zult niet
stelen,maar wanneer je fiets voor de 4e
keer gestolen is binnen het jaar, is het misschien niet verkeerd om
er een terug te stelen.
Als God net zo onduidelijk is als wij, komt er niets terecht van
geleiden, laat staan van bevrijden. Wanner God spreekt, spreekt Hij
met duidelijke taal. God speelt geen spelletjes met ons, Zijn
bedoelingen met ons zijn intens, zijn eerlijk, rechtdoor zee. God
spreekt ons direct aan met deze 10 woorden, persoonlijk, en niet
als groep, om te voorkomen dat wij als het ons uitkomt
ons verschuilen achter de groep, door b.v. te zeggen, zij steelt
dus waarom ik niet. Nee, zo werkt het niet bij
God, God spreekt een ieder van ons persoonlijk aan, ongeacht of hij
of zij nu op of voor het altaar staat, God wil zijn woord in een
ieder van ons laten doorklinken, we hebben het zelf al eerder
gezongen, en met die woorden wil ik hier eindigen.
Wie Gods woord wil waardig zijn zal tot leven komen. Hij wordt een
bron in de woestijn, eeuwig zal hij stromen.
Amen.
Peter Appel.
40
dagen tijd 2003: 26 maart 2003:
Efesiërs 2, 4-10
De lezing van vandaag waarschuwt ons voor genoegzaamheid. Nadat we
vorige week in de lezing gehoord hebben, hoe ons de tien geboden
zijn gegeven, zou de gedachte kunnen postvatten, dat we vanzelf
kunnen binnenlopen, door deze geboden slechts in acht te nemen.
Zo kennen we het verhaal van de rijke jongeling,
die bij Jezus komt en zegt: wat moet ik doen om uw volgeling
te worden, want de geboden volg ik al en van mijn overvloedige
bezittingen geef ik een gedeelte weg. Jezus vraagt echter meer.
Jezus vraagt eigenlijk totale inzet en overgave. En de jongeling
haakt af.
Er ligt nog een tweede gevaar op de loer met die geboden en met de
Joodse torah en dat is de opvatting dat
je met die wet in de hand en door die wet te volbrengen bij God je
rechtvaardiging kunt afdwingen. Ja opeisen. Dat
als je die wet volbrengt, je een goed mens bent en mag zeggen: God
ik dank u uit het diepste van mijn hart, dat ik niet ben als die
ander, die zondaar.
En dat je denkt, dat je tegen God kunt zeggen op de dag van
rekenschap: Zo God, laat me nu maar gauw even binnen. Je denkt dan,
dat je rechtvaardiging in eigen hand hebt.
Dat was ten diepste de intrinsieke fout van het Farizeïsme,
dat overigens voor het overgrote deel bestond uit eerlijke mensen,
die God zochten en wilden dienen.
De lezing van vandaag zegt nu, dat je je
redding dankt aan het geloof en dat je dat niet te danken hebt aan
je zelf. Het is Gods gave, we danken het niet aan onze prestaties.
Eigenlijk wordt in deze brief, die waarschijnlijk door een leerling
van Paulus geschreven is, het thema
overgenomen en verder uitgewerkt van de brief aan de Romeinen.
Paulus leert daar, dat het niet de wet is
die rechtvaardigt, maar het geloof. Hij noemt daarbij als het grote
voorbeeld, de aartsvader Abraham en zegt: Abraham heeft geloofd en
dat werd hem als rechtvaardiging aangerekend. Hij merkt fijntjes
op: dat was vóór de wet.
We hebben in de eerste meditatieviering gehoord, hoe Abraham met Isaak de berg opging, om zijn schijnbare en
enige hoop op toekomst aan de Heer af te staan. Abraham heeft
geloofd. Tegen de verdrukking in. Op geloof was hij toen al op stap
gegaan.
Na het geloof, waarover we spraken in de eerste
viering en de wet in de tweede viering, horen we vandaag over de
genade van God, die onze redding is. Wij mensen zijn
kinderen van de genade.
Ik herhaal nog maar eens, nu we alles op een rijtje hebben gezet,
de inzet van onze eerste lezing.
Door zijn grote liefde voor ons heeft God, die rijk is aan
barmhartigheid, ons die dood waren door onze overtredingen, met
Christus ten leven gewekt.
Aan zijn genade dankt u uw redding.
Amen.
Peter Werkhoven
40 dagen tijd 2003: 12 maart 2003:
Dierbare medegelovigen,
Vanavond in deze
eerste meditatieve viering het verhaal van de beproeving van
Abraham.
Het is voor deze tijd, het jaar 2003, een onvoorstelbaar verhaal.
“Ga met Isaak, uw zoon, uw enige,
die u liefhebt, naar het land van de Moria,
en draag hem daar op de berg , die ik u zal
aanwijzen, als brandoffer op”.
Het is een verhaal van een vertrouwen dat Abraham in God moet
hebben gehad, dat zijn weerga niet kent. Abraham dacht zijn God
inmiddels een beetje te kennen, maar nu komt daar opeens die eis
bij om zijn zoon te offeren.
In het oude Oosten was het kind offer een gewoon verschijnsel. In
het oude testament kunnen we tal van voorbeelden vinden die toen
gebruikelijk waren onder het volk Israël.
Het offeren van je eigen kind was een gebaar van vernedering en
opoffering tegenover de Godheid, in een situatie van uiterste nood.
Het was als het ware de uiterste vorm van het zich schikken in het
bestaande systeem in de hoop het vege lijf te redden en de goden
gunstig te stemmen Abraham werd geconfronteerd met deze heidense
eis. Was zijn God dan toch niet anders dan al die andere afgoden.?
Maar Abraham besluit te blijven vertrouwen op de God die hem
toekomst, ruimte en vrijheid had beloofd. Ook al moet hij zijn
enige zoon Isaak daarvoor opofferen. Hij
vertrouwt erop dat God op de een of andere manier zal voorzien in
een uitweg.
Dat vertrouwen, dat wonderbaarlijke vertrouwen wordt niet
beschaamd, horen we. God laat zien dat Hij anders is dan al die
andere oosterse Goden. Hij hoeft geen mensen offer. Het enige dat
God wil is vertrouwen.
Het lijkt alsof Hij wil zeggen: Vertrouw maar op mij, alles komt
goed.
Ja maar, hoe zit het dan met…………en vul het
zelf maar in. Met mijn gezondheid, mijn werk, hoe gaat het dan met
mijn kinderen, mijn huis, mijn auto, kan ik dan nog wel met
vakantie. Het spookt je allemaal door je hoofd en misschien nog wel
meer.
Dat is vaak onze manier van denken onze weg om door het leven te
gaan.
Want er is heel veel moed voor nodig om dat wat je het liefste is los te laten, en erop te
vertouwen dat het goed komt.
Dat is de weg die Abraham ons vandaag voorgaat, de berg op. Eenmaal
boven op die berg, een lange weg met veel hindernissen, daar
ontmoet Abraham Jezus, die op hetzelfde spoor zit. Daar staan ook
wij samen met de leerlingen. Ook wij ondervinden in ons leven vaak
zaken die niet eenvoudig zijn. In gezin, werk en kerk.
Ook wij zoeken moed en vertrouwen, dat vertrouwen van Abraham om
verder te kunnen in ons dagelijks leven. Om de
problemen en de keuzes die we moeten maken aan te kunnen. Om
die berg af te durven het dal in. Om al die vragen die op onze weg
komen echt onder ogen te durven zien.
Als ik alle uitzicht heb verloren
En mij uit de nacht niets meer bevrijdt,
Wordt er in zijn schaduw het licht geboren,
Dat mij op zijn schouders tilt en veilig leidt.
Zo lezen we straks in Psalm 23.
Dat we God, die van ons houdt en die ons vrij maakt, in deze
veertig dagen tijd op het spoor mogen komen, in het voetspoor van
Jezus.
Dat wat lijkt op nederlaag en dood, kan ons doen omkeren in het nieuw verbond.
AMEN.
Eelke Ligthart
Dierbare medegelovigen,
De profeet
Jesaja geeft in deze lezing aan dat God door het woord tot Hem
spreekt.
“Met een woord wekt Hij mij in de ochtend, in de ochtend wekt
Hij mijn oor, om als een leerling toe te horen.”
Ook tot ons richt God zijn woord. Misschien leest u wel eens in de
Bijbel, in een moment van rust. Om je eens te bezinnen en daarna je
gedachten eens te laten gaan, ver weg van het gehaast van elke dag.
Of misschien hoort u God’s woord in
een viering die u meemaakt in de kerk hier of elders. Het woord van
God wordt over ons uitgestort, steeds weer opnieuw.
Steeds dat verhaal over de liefde van God. Hoe we met onze naaste
moeten leven, hoe we God kunnen ontdekken.
Maar hoe vaak gebeurt het ons niet dat het woord van God ons het
ene oor ingaat en het andere oor weer uit. Want immers wat er
buiten gebeurt, op de T.V., op ons werk,
het slokt ons vaak volledig op. Het beheerst ons leven.
Want immers de maatschappij heeft ons nodig.
Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat wordt een groot
deel van ons leven bepaalt door de maatschappij. En daar willen we
toch bij horen, we willen er toch over meepraten.
Stel je voor dat je er niet meer bij hoort, dat je buiten de boot
valt.
Maar zo zwart – wit is het natuurlijk niet. Het is een
kwestie van keuzes maken in je leven. Waar ben ik
goed in, waar kan ik mij inzetten in de maatschappij, in de kerk,
want vind ik leuk enz.
Door zo te denken val je niet buiten de boot en
sluit je a.h.w. een verbond met jezelf en met de mensen om je heen.
Zo is het ook met het woord van God. Durven we nog echt naar dat
woord te luisteren? Of past het niet of nauwelijks nog in ons drukke
bestaan?
Door naar Gods woord te luisteren, het in ons op te nemen en er van
uit te willen leven, geeft namelijk consequenties. Soms moet je
andere dingen voor laten gaan, prioriteiten stellen. Dat was in de
tijd van Jesaja en dat is ook nu, in onze tijd, nog steeds zo. En
dat stellen van prioriteiten, ook je oor openstellen voor dat woord
van God, is moeilijk.
Maar Jesaja geeft ons geeft ons al een steuntje in de rug als hij
zegt: De Heer God staat mij bij, daarom kom ik niet bedrogen uit,
ik zal niet beschaamd worden.
Ook van Jezus weten we dat Hij buiten de groep viel. Hij de wil van
God en viel daardoor bij velen buiten de boot. Hij heeft volledig
de consequenties doorleefd, door te luisteren naar Gods Woord.
We staan aan de vooravond van de Goede Week, waarin we het lijden
van Jezus, Zijn wanhoop, Zijn verlatenheid, en het toch volbrengen
van Gods Wil, uitmondend in de kruisdood, gedenken.
Wij Christenen zeggen de Weg te willen gaan die Jezus ons is
voorgegaan. Denkend aan de Goede week, denkend aan de consequenties
van de Weg ten volle gaan, zouden we best de schrik in de benen
kunnen krijgen en er voor terug deinzen. Komen onze prioriteiten
dan niet in het gedrang?
Gelukkig weten we ons gezegend door Gods nabijheid. Ook als we onze
eigen Goed week beleven.
Hij zal ons nooit te schande maken, en ons voor blijven gaan op
onze weg, op Zijn Weg.
AMEN.